28-01-12

Terug naar af

Vroeger, heel lang geleden, cultiveerde ik mijn blog heel nauwgezet.
Tot ik betaalde stukjes ging schrijven. Geld maakt lui en rekent af met “just for fun”.
Ken je de treinconducteur die ‘s avonds, na de dagtaak, thuis voor de gezelligheid nog een uur kaartjes knipt? Hij bestaat niet.

Vervolgens schreef ik een boek. Vuistdik noch hoogstaand literair maar wel een hoop woorden.
Om de uitgever te overtuigen van mijn goede bedoelingen, stuurde ik hem een beginselverklaring. Dat was zoiets als het referentiekader bij het manuscript dat zou volgen. De beginselverklaring haalde het uiteindelijke magnum opus niet maar kan daardoor nu dienst doen als de opkikker die mijn comateuze blog zo nu en dan nodig heeft. De toevoer helemaal dichtdraaien betekent euthanasie plegen en omdat ik moeilijk afscheid kan nemen, post ik graag dit schrijfsel uit maart 2009.

 

De ouders van een kameraad waren voor enkele dagen de deur uit. Met drie buurtjongens palmden we hun living in. We sleepten pils en chips aan en lieten de rolluiken neer. We waren klaar voor de allereerste tijdloze van Studio Brussel. Wekenlang hadden luisteraars lijstjes met hun favorieten liedjes kunnen opsturen; Studio Brussel had ze omgesmolten tot wat de ultieme Top 100 aller tijden moest worden.
Hier hadden wij naar uitgekeken.
Ieder van ons languit in een sofa, van ’s middags tot middernacht. Hangjongeren waren we, lang voor sociologen dat verschijnselen in kaart hadden brachten.
We misten geen enkele song. We joelden mee met The Doors, speelden luchtgitaar met Jimi Hendrix en scholden om Meatloaf of John Miles.
Hoe korter bij de ontknoping, hoe driester onze commentaren.
De drank scherpte de spanning aan. Die Top 100 was een ernstige aangelegenheid want dra zouden we de beste song aller tijden kennen.

Op 5: The River van Bruce Springsteen. Mooi. Terecht.
Op 4: Satisfaction van The Rolling Stones. Niet op het podium? Onze voorspellingen naar de prullenmand.
Op 3: Bohemian Rhapsody van Queen. Dit viel te vrezen. Mama Mia Figaroooo! Nog een laatste pilsje. Scaramouch. Scaramouch.
Op 2: Angie van The Rolling Stones. Vertwijfeld sloegen we aan het brainstormen. Welk nummer zou er in godsnaam op één kunnen staan? Welke klassieker hadden we nog te goed? Zou het luisteraarsheir dan toch Joy Division uitgekozen hebben?

De presentator overliep een laatste keer de laureaten maar op de achtergrond hoorden we de aanzwellende intro van Child in Time van Deep Purple al doorklinken.

Child in Time van Deep Purple?
Child in Time van Deep Purple!

Wat een ripp off.
Onze euforie implodeerde.
Dit was geen terechte winnaar. Voor ons.
Hoe weeg je lappen muziek tegen elkaar af en hoe druk je hun respectievelijke kwaliteiten kwantitatief uit? We hadden geen idee. Is het überhaupt mogelijk? Maar naar ons gevoel klopte deze lijst niet.

Furieus greep één van ons de telefoon. Hij belandde, geloof het of niet, na enkele pogingen bij Studio Brussel: “Dit was geen Top 100, maar een Flop 100” brieste hij.
De ambtenaar van het staatsbedrijf BRTN aan de andere kant van de lijn, bleef beleefd: “Democratie, meneer. De meerderheid heeft gekozen”.
Wat een onzin: “Jullie hebben de micro en de antennes, dan zorg je er ook voor dat de lijst klopt. Zo simpel is dat.”

Mijn ouders hebben nooit een auto gehad. Dat was geen principekwestie, het was er simpelweg nooit van gekomen een rijbewijs te halen. Vader fietste naar het werk en moeder benutte alle ruimte in de tassen aan haar bagagedrager om de inkopen aan te voeren. Dat ging best.
Op zondag trok vader steevast een strak maillootje aan voor een tocht met de wielertoeristen. Door de week blonk hij zijn fietsen op, ook als die niet vuil waren. De krant werd enkel gekocht voor de bladzijden met wielernieuws.
In dergelijk milieu grijpt zelfs de landerigste puber vroeg of laat naar de velo.
Omdat een ommetje langs de jaagpaden prettiger is dan in de schoolboeken te turen.
Omdat het hoofd vol muizenissen zit en de wind op kop daar een doeltreffende remedie tegen blijkt te zijn.
Omdat vader jaarlijks een nieuwe koersfiets koopt en zelfs zijn afleggers mooie hebbedingen zijn.
Omdat de coureurs op TV een woordenschat hanteren die je kent van familiefeesten en karakterkoppen hebben die nooit liegen.
Gezeten op een fiets met een krom stuur ben je een van hen en dat voelt goed.
Er moet ook helemaal niet naar redenen gezocht worden.
Sommige mensen fietsen.
Anderen niet.
Ik fiets.

Bioloog Midas Dekkers heeft ’t niet begrepen op sportlui. Uit de leer van Darwin heeft hij onthouden dat levende wezens, dus ook de mens, eigenschappen die het voortbestaan van de soort bevorderen, doorgeven aan de volgende generaties. Karakteristieken die de overlevingskans niet van dienst zijn worden uit de genetische boekhouding geschrapt. Het lichaam evolueert in gunstige zin en dat moeten we respecteren.
Fietsers, zegt Dekkers in een interview met een fietsblad, zondigen tegen die premisse. Om te beginnen is er de houding op de racefiets, krom is onnatuurlijk en het beknelt de organen in de buikholte.
Hardrijden is hem helemaal te gek. Zodra het lichaam noodsignalen uitzendt wanneer het moe wordt, moet je daar aan toegeven door te rusten. Duursporters doen consequent het tegenovergestelde. Als de benen, tot het bot verzuurd, protesteren, gaat de sportieveling zich daar tegen verzetten. Hij wil per definitie de grenzen van het eigen kunnen niet aanvaarden, hij wil die limieten verleggen en dat vindt Dekkers eng.
Dit zet aan tot denken.
Lekker bewegen in de buitenlucht is dus niet langer gezond maar ongezond? Het brengt zelfs de overlevingskansen van het nageslacht in gevaar?
Ik begrijp hieruit dat Dekkers pleit voor de weg van de minste weerstand. Dat is meteen misschien een verklaring waarom ‘t me niet lukt om zijn boeken uit te lezen. Bovendien draagt de onheilsprofeet een forse knevel onder de neus waarvan de relevantie op het vlak van evolutie mij compleet ontgaat.
Daarom: dood aan zijn wetenschappelijk populisme.
Het biedt geen antwoord op de vraag: Waarom fietsen we dan wel?
De holbewoners waren een rechtoplopende variatie op de aap.
Ze waren drukdoende met het bewaren van het vuur en het de kop inslaan van de buren. De Neanderthaler plukte bessen of vilde al eens een beest maar deed niet aan sport. Door evolutie wonen we nu in huizen met centrale verwarming, kopen we onze charcuterie in de winkel en zeggen we de buurman vriendelijk gedag. En we fietsen.
Meer nog, we fietsen niet alleen ergens heen, want daarvoor gebruiken we de wagen, we fietsen om te fietsen. De beweging is geen middel, maar een doel op zich.

Hoe vaak heeft niet iemand gevraagd waarom ik dat doe, een feestje verlaten net wanneer er een nieuw vat wordt aangesloten op de tapinstallatie. Of om zeven uur het bed uitwippen op een vrije dag. Een foeilelijk pak aantrekken dat bedrukt staat met de namen van lokale zelfstandigen. Toch niet om te gaan fietsen? Zeker wel.
Zelfs mijn vriendin, ze kent me goed genoeg om mij te kiezen als vader voor haar kind, raakt er na al die jaren niet wijs uit. Wat is dat met dat fietsen?
Wie zelf nooit met een groepje makkers een poging ondernam om de lente tegemoet te rijden krijg je niet uitgelegd dat fietsers al een trede voorsprong hebben op de ladder van de evolutie.

Daarom verenigen fietsers zich ook. Wielertoeristenclubs zijn als zelfhulpgroepen. Het zijn vluchtheuvels om te ontsnappen aan de minder geëvolueerde soortgenoten. Binnen de beslotenheid van het gild wordt de cocon van alledag afgelegd en krijgt de ware identiteit vrij spel. De hiërarchie van het beroepsleven is niet meer van tel en de bazige echtgenote kijkt niet over de schouder mee. Een verademing na een week vol rollenspel.
Doorgaans toeren de verenigingen rond in eigen gouw, liefst langs de meest autoluwe wegen. Soms fietsen ze op verplaatsing. Ze gaan dan op bezoek bij andere clubs die een omloop hebben uitgezet langs de mooiste wegels van de streek. Mits een kleine bijdrage aan de clubkas mag je verfpijlen volgen en krijg je onderweg isotone dranken en peperkoek toegestopt.
Maar één ding hebben beide uitstappen gemeen: er zal minstens één helling beklommen worden.

Lieden als Midas Dekkers krijgen hier vast zure oprispingen van. Alsof het in groep nutteloos bezig zijn niet verwerpelijk genoeg is, gaan fietsers ook nog de zwaartekracht uitdagen. Er bestaat geen heuveltop waar je niet omheen kan; de weg van de minste weerstand, begrijp je. Een traject afleggen waarbij start- en aankomstplaats gelijk zijn klinkt hen als waanzin in de oren, een extra lus maken om een heuveltop aan te doen wordt helemaal griezelig.
Niettemin zijn het precies de toppen die de fietser zich achteraf herinnert. Al was de helling nog zo nietig in vergelijking tot de totale afstand van de tocht, de helling blijft een merkteken.
Want precies daar waar je tot stilstand komt als je de benen stilhoudt situeert zich immers de essentie van dat fietsen.
In het zog van een brede gezel trotseer je op vlakke wegen spelenderwijs de elementen. Beschut in een grote meute fiets je zelfs ongetraind sneller dan wat je gestel individueel aankan. Bergop telt de zuigkracht van derden veel minder. De helling zuigt er aan de bandjes, ook in een groep is het een strijd van man tegen helling. Hellingen leggen zwaktes bloot. Het vormpeil wordt er geijkt en overtollige lovehandles worden er afgestraft.

Is de spurter een betere wielrenner dan de klimmer? Natuurlijk niet. Ieder zal de ander op zijn eigen terrein verslaan, opnieuw en opnieuw. Wie een massaspurt kan winnen in de Tour de France is een groot atleet. Toch zijn het de klimmers die bij het grote publiek tot de verbeelding spreken. Bergritten zijn kijkcijferkanonnen op TV, de trekkebekkende medemens wekt meer ontzag op dan de gestroomlijnde flyer. Waar vind je duizenden toeschouwers langs de weg? In Geraardsbergen, op De Muur. Daar onderscheidt de echte fietser zich van de doorsnee sterveling die wel kan fietsen maar nooit al fietsend de top van die helling zal bereiken.

Na de clubtocht dient er nagekaart te worden. Een eenzame rit kan voldoening schenken maar mist de charme van het naspel in een café of op een terras. Niet dat wielertoeristen verkapte alcoholisten zijn, verre van (bier is hierbij immers geen must), maar het verbaal herbeleven van de inspanning biedt de mogelijkheid om persoonlijke accenten aan te brengen in de film die zal opgeslagen worden in het geheugen.
Wie vlot reed zal zijn prestatie aandikken, zijn voorsprong op de anderen kunstmatig vergroten. Dit levert hem mentale brandstof waarop een hele werkweek kan geteerd worden.
Wie als een krasselaar meereed krijgt de mogelijkheid om het falen te minimaliseren, voor zichzelf en voor de anderen. Natuurlijk weet hij dat zijn speelkameraadjes de uitleg over het haperende versnellingsapparaat niet echt geloven maar het ritueel waarbij ieder zijn zegje mag doen werkt zalvend.
Eens de onderlinge waardeverhoudingen bepaald, verschuift de focus altijd naar de hellingen die beklommen werden. De toppen waren geen decorstukken maar medespelers, elk met hun eigen gezicht. Ze worden voorzien van bijnamen als smeerlap, nijdigaard, venijnige wurger of vlotte loper. En dan, dan komt ze: de vraag welke helling de nu zwaarste of de mooiste was. Zoveel fietsers, zoveel antwoorden. Het explosieve type verkiest een korte steile klim. De randonneur houdt van een gelijkmatige hoogtecurve. De één veracht kasseien, de ander is er dol op.
Is een helling nu zwaarder naarmate hij steiler is of is de lengte meer bepalend?

Ik heb deze discussie al ontelbare keren gevoerd. Telkens opnieuw herinnert ze me aan de allereerste Tijdloze van Studio Brussel.

Je kan liedjes rangschikken op basis van de verkoopcijfers of volgens de appreciatie van een representatieve groep. Het resultaat van die oefening zal het ene liedje hoger klasseren dan het andere, maar feilloos zijn die criteria hoegenaamd niet. Liedjes hebben meetbare eigenschappen (het aantal keren dat ze gedownload worden, hoeveel weken ze op 1 staan in de hitparade, …), hebben artistieke kwaliteiten (de complexiteit van de melodie, de zangtechniek van de uitvoerder, …) maar zijn ook dragers van emotionele bagage (het lied werd gebruikt bij een verkiezingscampagne, de zanger is een rolmodel, …).

De waarde van een plaat druk je niet uit met het aantal verkochte exemplaren en elke ervaren fietser weet dat hellingen meer zijn dan de rekensom lengte maal hoogteverschil.

Op zijn veertigste hoort de man een moto te kopen en achter jonge meiden aan te zitten. Hij mag ook opnieuw beginnen dromen over de wereldreis die er al sinds de adolescentie zit aan te komen. Van job veranderen! Mocht de economische conjunctuur niet tegenzitten, met veertig zou de man zijn huidige baan inruilen voor een wilder, avontuurlijker en creatiever emplooi.
Mid-life hoeft geen crisismoment te zijn. Het is een toestand waarbij gekkigheid even toegestaan wordt door de naaste omgeving.
Ach, laat hem maar even. Dat waait wel over. Het is de leeftijd.
Puberteit van een hogere orde is het.
Een dwaas die deze maatschappelijk aanvaardde extra speeltijd onbenut laat.

Tijdens een fietsvakantie in de Alpen deelde ik ooit de bar met twee Nederlanders van een jaar of vijftig. Ze vertelden me over de Club des 100 cols die ze samen tien jaar eerder hadden opgericht. Hun geesteskind bleek een virtuele club waarvan je enkel lid kunt worden door minstens 100 cols of bergpassen per fiets te bedwingen. Na gedane arbeid mail je hen de inventaris van je veroverde cols door en zij huldigen je met een oorkonde.
Een mooi voorbeeld van mid-life dadendrang. Geen dertiger die op dat idee komt, het leven gunt hem nog tijdskrediet genoeg om gek te doen. Van een vijftiger moet je evenmin iets dergelijks verwachten; hij meent onterecht dat hij daar al te oud voor is. Neen, enkel de veertiger is geestelijk bevrijd genoeg om zich tot doel te stellen 100 cols op te rijden en zich te verkneukelen in het bijbehorende diploma dat via e-verkeer in zijn mailbox zal vallen.
Zijn vrouwtje begrijpt er uiteraard niks van maar ze is al lang blij dat hij bergtoppen najaagt en daarbij de obligate meisjes voorbijsnelt.

100 cols.
Dat is geen kattenpis. Typisch iets voor Hollanders. Het moet bigger than life en buiten de landsgrenzen. Ze zijn van nature ondernemender dan Vlamingen: zij baten de fietshotels uit waar wij onze kamers boeken. Verder is zo’n club een handig excuus om met de caravan het verkeer op de Brusselse ring te hinderen: “Sorry, ik moet naar Frankrijk en Spanje en Italië om nog enkele cols te gaan aanvinken.”
100 cols, een megalomane gedachte, maar ze blijft wel plakken.

Het vriest wanneer ik mijn veertigste levensjaar inzet. Naar goede gewoonte vier ik mijn verjaardag niet. Het wordt lekker een dag op halve kracht. Ik blijf wat langer liggen want zoonlief brengt ontbijt op bed. Daarna maak ik me klaar om te fietsen. Het wordt een korte rit want het wintervet is omgekeerd evenredig aan de fitheid. En een trage rit, de muziek op de mp3-speler is belangrijker dan het gezoef van de wind. Met mijn eigen feestje in de oordopjes rijd ik het ouderlijke huis van mijn jeugdvriend voorbij. Even later bol ik de Boomse Bosstraat af, het is een knikje van niks maar tijdens het kerstreces verkies ik de afdaling boven de inspanning naar boven. Op mijn kilometertellertje lees ik dat helling 800 meter lang is. Da ’s net zo lang als de Kloosterstraat in Geraardsbergen. Dat meen ik me te herinneren. Minder steil, natuurlijk. Gemiddeld een procent of 3? Zoals de Alsemberg, maar dan korter?.
Ja, een mens komt tot grote inzichten op de fiets.

Een puzzel valt in elkaar.
Lijstjes.
Getallen.
Verhoudingen.
Heuveltoppen.
100 cols.
De drang naar een volslagen nutteloos maar belangrijk project.
Dit jaar bezoek ik de 100 belangrijkste toppen van Vlaanderen.
Ik heb daar recht op, ik word 40.

top.jpg

19:53 Gepost door LucV in Mon velo | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

De commentaren zijn gesloten.